09/09/2025
Goedemorgen Aalsmeer, zoals vorige week belooft zouden wij nog even het echte verhaal vertellen van de Mythe van Aalsmeer.
De mythe van Mâ-Ling die Westeinder Pâ-Ling ving.
Lang, héél lang geleden, in de negentiende eeuw, toen Aalsmeer nog bestond uit meer turf dan baksteen, en de Westeinderplassen zo uitgestrekt en geheimzinnig leken dat men dacht dat er zeemonsters in rondzwommen, arriveerde een bijzondere vrouw: Mâ-Ling.
Zij was een Chinese immigrante, klein van stuk maar met een glimlach die breed genoeg was om de hele Ringvaart te verlichten. Ze had haar dorp achtergelaten met slechts drie dingen: een bamboe hengel, een wok, en een onwrikbaar vertrouwen dat ze ooit een man zou vinden die haar net zo stevig vasthield als een paling glibberig wegglipt.
Mâ-Ling huurde een houten praam bij een nors uitziende boer. Deze vroeg haar: “Ga je met dat scheepje vissen, meisje. Of wil je alleen maar meedoen met de pramenrace?”
Maar Mâ-Ling begreep hem niet helemaal en dacht dat “pramenrace” een magisch Nederlands woord was voor ‘goud vangen’. Dus voer ze vol goede moed de plassen op.
Ze dobberde uren. De zon zakte langzaam weg achter de molens. Plotseling, toen het water net zo glad was als een pas gestreken overhemd, voelde ze een ruk aan haar hengel. Het was geen gewone ruk, nee, het was alsof de hele Westeinderplas zich aan de andere kant vastklampte.
“Wat een gigantische paling moet dát zijn!” riep ze, terwijl ze alle kracht in haar kleine armen zette.
De praam kraakte, water klotste over de rand, en de paling trok haar door riet, langs eenden en zelfs dwars door het parcours waar later ooit de befaamde pramenrace zou plaatsvinden. Volgens oude Aalsmeerse vissers is dát de reden dat de race elk jaar zo kronkelig is: de paling van Mâ-Ling sleurde een spoor door de plassen dat nooit meer verdween.
Na een epische worsteling, waarbij Mâ-Ling driemaal bijna in het water tuimelde en eenmaal zelfs op een fuik van de buurman terechtkwam, wist ze haar vangst boven water te krijgen. En daar gebeurde het wonder.
Uit de diepte rees niet een vis, maar een man. Een glibberige, sterke figuur, gehuld in wier en waterlelies. Zijn ogen glansden als palinghuid in de zon. Zijn naam was Pâ-Ling.
Hij sprak met een stem die tegelijk bromde als een schuitmotor en zong als een meeuw:
“Wie mij uit de Westeinder vist, die zal ik eeuwig trouw zijn. Jij hebt mij gevangen, Mâ-Ling, en nu ben ik de jouwe.”
Mâ-Ling keek hem aan en barstte in lachen uit. “Jij bent geen vis, jij bent mijn visserman!”
De dorpelingen konden hun ogen niet geloven toen ze de praam zagen terugkeren. Daar stond Mâ-Ling, fier als een keizerin, met naast haar een druipende maar charmante Pâ-Ling. Vanaf dat moment werden ze onlosmakelijk verbonden. Men zei dat hij nog altijd een beetje naar paling rook, maar Mâ-Ling vond dat wel handig: ze hoefde hem nooit kwijt te raken in de kroeg.
En de pramenrace? Die veranderde voorgoed. Want sindsdien voer men niet zomaar om de eer of om bier, maar om de geest van Mâ-Ling en Pâ-Ling te eren. Elke ploeg die scheef in de bocht gaat of bijna omslaat, zegt men, herbeleeft eigenlijk de tocht van Mâ-Ling achter haar magische paling.
Tot op de dag van vandaag fluisteren vissers dat er nog steeds een spoor van glibberigheid door de Westeinder loopt. En elke keer als een praam onverwacht sneller gaat dan gedacht, of een schipper een bocht mist, zeggen de oudjes:
“Dat is de zegen van Mâ-Ling en haar Westeinder Pâ-Ling.”
En zo gaat de mythe: dat een kleine vrouw uit China niet alleen de grootste paling ooit ving, maar ook de liefde van haar leven. Een verhaal zo glibberig, zo vrolijk, en zo Aalsmeers dat men het nog honderden jaren zal vertellen – vaak na drie biertjes, vlak voor de start van de pramenrace.